Citaten van Multatuli

De drie finalisten van het Max Havelaar Toespraken Toernooi hebben de opdracht een citaat van Multatuli te verwerken in hun speech. Hier volgt: een bloemlezing van citaten.

> ‘Redenary is ’n kwaal, en wordt, omgekeerd, door andere maatschappelyke kwalen in-stand-gehouden.’  Ideen III, p. 33: idee 591

> ‘Redenary [is] ‘n kwaad dat met alle kracht behoort te worden tegengegaan.’ Ideen III, p. 182: idee 765

> ‘Als ikzelf niet spreken moest, kwam ik er ook niet.’ Reisbrieven, p. 262: brief aan Mimi, 12-01-1881

> ‘Ik sprak in den thans bedoelden zin nooit in ’t publiek, dan gedrongen door oorzaken van bykomenden aard.’ Ideen III, p. 33: idee 591

> ‘Een Kunstschepping behoort, als Pallas uit den Jupiterskop, spontaan voor-den-dag te komen, en is per se ’n misgeboorte, indien ze anders ontstond dan door bevruchting, dracht en baring van de ziel.’ Ideen III, p. 78: idee 646

> ‘De waarheid is ’n belang dat allen aangaat. Wie voor haar geen gevoel heeft, is slecht.’ Ideen III, p. 142: idee 724

> ‘Ik zeg: waarheid en gezond verstand; daar blijf ik bij.’ Max Havelaar, p. 3

> ‘Er is maar één weg ten hemel: Golgotha! Wie er wil komen langs ’n anderen weg, is ’n infame smokkelaar.’ Ideen I, p. 16: idee 61

> ‘Ik heb niets tegen verzen op zich zelven. Wil men de woorden in gelid zetten, goed, maar zeg niets wat niet waar is. “De lucht is guur, en ’t is vier uur.” Dat laat ik gelden, als het werkelijk guur en vier uur is. Maar als ’t kwartier voor drieën is, kan ik, die mijne woorden niet in gelid zet, zeggen: “de lucht is guur en ’t is kwartier voor drieën.”’ Max Havelaar, pp. 4-5

> ‘’t Streven naar ’t volmaakte, geraakt alzoo in-stryd met de noodzakelykheid om te voldoen aan ’t bruikbare. En deze stryd is den wysgeer noodlottig.

Of hy beroept zich op den adel van z’n zending, en weigert te buigen onder voorwaarden die z’n kunstenaarsziel beleedigen, en… dan verkoopt hy z’n meubels niet, met ’t verdrietig gevolg dat-i verhongert, ’t geen hem vooral hierom hard valt, wyl hy z’n roeping zoo gaarne nog eenigen tyd had willen volgen… ’t leven is toch reeds zoo kort voor kennen, weten en kunnen!

Of hy buigt onder zulke vernederende eischen, knutselt, knoeit, levert – met groote winst misschien – ’t bruikbare, en… is gevallen! Hy heeft het beste dat in hem was, verkracht. Van wysgeer werd-i marskramer. Van artist, in zoo hoogen zin, opperman.’ Ideen III, p. 36: idee 595

‘De onnoozele waarheidszoeker leest in houding en op gelaat, hy hoort luid klinken in gekuch gelach, gefluister, in schuifelen met schoeisel en stoelen… àlles roept hem toe:

- We hebben je betaald!

En hy buigt ’t hoofd onder dat verwyt, hy die op zyn beurt zoo weinig betaalt, omdat-i alles offerdde.’ Ideen III, p. 38: idee 598

> ‘Die m’nheer ‘PUBLIEK’ houdt van odeurtjes en van leugen. Hy bederft u, waar ge goed zyt. Hy juicht u toe, waar ge mìsgrypt. Hy schrift u af, waar ge poogt u opteheffen uit onärtistieke vernedering.’ Ideen III, p. 67: idee 629

> ‘Moet-i z’n verbeelding – àl te kunstig dan! – verkrachten tot den leugen: in scheldende hospita’s en manende waschwyven engelen te zien? In den deurwaarder ’n bode uit hooger sfeer? Kan-i geven wat liefelyk is en welluidt, indien de aanraking met de wereld hem by-voortduring bevrucht met bitterheid? Dit is onmogelyk!’ Ideen III, p. 80: idee 651

> ‘Wie naar waarheid streeft, en by de uiting van ’t gevondene zich onthoudt van ’t leelyke, zal iets schoons voortbrengen.’ Ideen III, p. 144: idee 730

> ‘Ik wilde schrijven, zóó, dat het gehoord werd, en even als iemand die roept: “houdt den dief!” zich weinig bekommert over den stijl zijner geïmproviseerde toespraak aan het publiek, is het ook mij geheel om het even hoe men zal beoordeelen de wijze waarop ik mijn “houdt den dief” heb uitgeschreeuwd.’Max Havelaar, p. 237

> ‘Hoe bekrompener de gezichtskring der hoorders, hoe snydender hun oordeel over alles wat daar-buiten ligt.’ Ideen III, p. 94: idee 666

> ‘De kunstenaar waagt zich. Hy wordt gewond, gepynigd, gemarteld… maar hy bezwykt niet!’ Ideen III, p. 76: idee 633

> ‘Wy povere schoolmenschen kunnen de dronken Heloten niet missen. Wy moeten uit benevelde boeken leeren hoe men niet behoort te schryven, en nuchter blyft. Men moet ons wyzen op de fouten van anderen.’ Ideen III, p. 146: idee 732

> ‘Maar hoe ik zoo gauw van die voordracht verlost was, weet ik niet meer. ’t Is me in gedachten één minuut. Hoe aardig, hè? Ik ben net ’n machine die uit eigen kracht, en buiten mij om, werkt.’ Reisbrieven, p. 87: brief aan Mimi, 07-03-1878

> ‘Heere jesis ’t verveelt me zoo. Moeielijk is ’t niet, maar vervelend!’ Reisbrieven, p. 139: brief aan Mimi, 11-04-1878

> ‘Dat kibbelen over de wyze van inkleeding, over ’n onderdeel van den vorm, doet denken aan den bedelaar die ’t vraagstuk opwerkt, of-i z’n goud in ’n beurs of in ’n porte-monnaie bergen zou… als-i goud had! My dunkt, de man kon deze moeite sparen tot er iets te bergen wezen zal.’ Ideen VI, p. 328: idee 1197

> ‘Denk, peins, overweeg… twyfel… overweeg nogmaals, en weder, en nogeens… altyd door, altyd op-nieuw. Rek uw begrip tot de uiterste grens der mogelykheid van kennen, kunnen, weten, en begrypen.’ Ideen I, p. 1: inleiding

> ‘Maar nooit legt de waarheidzoeker op algemeen gebied, zyn werktuigen neer. Elk voorwerp dat z’n zintuigen waarnemen, zegt hem iets, vraagt hem iets, dwingt hem tot arbeid. Eeuwig door, suist hem uit alles wat vorm of kleur geeft, uit alles wat geluid geeft, het eindeloos: waarom?’ Ideen III, p. 181: idee 764

> ‘Van Helden zei iets aardigs. Toen ik zei: “ik besteed eigenlijk aan voorbereiding maar één uur” antwoordde hij: “ja, één uur en dertig jaren!” Zoo is het ook.’ Reisbrieven, p. 69: brief aan Mimi, 26/27/28-02-1878

> ‘Publiek’s tevredenheid met spoorzagery en schryvers-bombast op deftige wys voorgedragen, geeft ons den maatstaf van de wyze waarop in publieke voordrachten kan worden omgesprongen met de waarheid.’ Ideen III, p. 174: idee 758

> ‘Wie niet uit zichzelf iets is, zal ’t waarlyk niet worden door vrywillig opgaan in anderen.’ Ideen III, p. 146: idee 732

> ‘Want ik weet niet wie God is. Ik weet niet wat ziel is. En wat er is buiten stof, weet ik niet.’ Ideen I, p. 8: idee 16

> ‘Twyfelend zoeken naar waarheid staat toch nader aan wysheid, dan onnadenkend aanhangen van ’t onware of onzekere.’ Ideen III, p. 92: idee 663

> ‘Ik weet, en ik kan het bewijzen dat er vele Adinda’s waren en vele Saidjah’s, en dat, wat verdichtsel is in ‘t byzonder, waarheid wordt in het algemeen.’ Max Havelaar, p. 204

> ‘Twee linker-handschoenen maken geen paar handschoenen. Twee halve waarheden maken geen waarheid.’ Ideen I, p. 5: idee 2

> ‘God zegene de hevige vuren die niemand kwetsen. Ik zou wel zoo’n vuur willen zyn.’ Ideen III, p. 159: idee 748

> ‘Wie zich nooit vergist, ‘tzy in opvatting, ‘tzy in uitdrukking, kan onmogelyk veel belangryks leveren.’ Ideen III, p. 149: idee 736

> ‘Alle menschen zijn min of meer mededingers; wij zouden gaarne elk ander geheel, in alles onder ons plaatsen. Dit echter te uiten, verbiedt de goede toon en zelfs het eigenbelang, want zeer spoedig zou niemand ons gelooven ook al beweerden wij iets waars.’ Max Havelaar, p. 126

> ‘Natuur is beweging. Groei, honger, denken, gevoelen is beweging…. stilstand is de dood. Zonder beweging is geene smart, geen genot, geene aandoening.’ Max Havelaar, p. 110

> ‘Dit citeeren is door armoed aan eigen denkbeelden, mode geworden, of zelfs maar ’n tic, zooals de brilletjes van de pruisische luitenants. Ze meenen dat zoo’n ding ’n mensch mooistaat, dat ’t kleedt.’ Ideen III, p. 141: idee 722

> ‘Maar schoolmeesters moeten de taal niet maken. Zyzelf behooren die te leeren van ’t Volk dat die taal spreekt en schryft.’ Ideen I, p. 12: idee 38

> ‘Wie steeds naar z’n beste weten zegt wat hem voorkomt waar te zyn, kan nooit met zichzelf in tegenspraak komen.’

> ‘Ik zei reeds – en moet hierop vaak terugkomen, omdat het ’n waarheid is, die zich gedurig op den voorgrond dringt – de bron van al ’t goede is ’t hart. Meedeelen, geven, gedachten geven – kostbaar geschenk, naar ik meen! – is: liefhebben.’ Ideen III, p. 55: idee 614

> ‘Wie tevreden is over z’n arbeid, heeft reden van ontevredenheid over z’n tevredenheid.’ Ideen I, p. 16: idee 61

> ‘Baring zonder voorafgaande bevruchting is onmogelyk. De ziel van den kunstenaar moge ryk zyn… oneindig is haar werkkracht niet. Onophoudelyk geven put de grootste schatten uit. De machtigste stroom zou verdrogen, indien voortdurend alle bronnen die hem voedden, werden verstopt.’ Ideen III, p. 89: idee 659

> ‘Zwart of wit laat zich gemakkelijk schilderen, maar moeielijker is het juist wedergeven eener schakering die daartusschen ligt, als men gebonden is aan waarheid, en dus noch te donker noch te ligt mag kleuren.’ Max Havelaar, p. 63

> ‘Eerst m’n wedervaren van gister. Volgens afspraak zou ik te Schiedam omstreeks 6 uur aankomen, daar ‘n warme kamer vinden en ik zou er twee uur tijd hebben om me klaartemaken voor de voordracht. Maar zie, de trein kwam ‘n heel uur te laat (door sneeuw en harden wind). Dat was één. En m’n nieuwe begeleider had niet gezorgd voor ‘n vigilant. Daar stond ik om 7 uur in de sneeuw aan ‘t station. Toen loopen naar de zaal, die volstrekt niet nabij was. Hijgend kwam ik aan, ontstemd natuurlijk in twee beteekenissen, want stem had ik ook niet. Daar ik al halfvijf uit m’n logement te Leiden gegaan was had ik niet gegeten. Ik had me ‘n paar broodjes met gehakt laten meegeven. Maar te Schiedam had ik geen tijd ze te eten. Er begonnen al menschen in de zaal te komen. Bezoek in de wachtkamer van Penning Coens). Daarop de zaalman me zei dat m’nheer Karel v.d. S. “me spreken wou”. Zoo begreep ik, maar later bleek dat het misverstand was. Wel had-i gevraagd of ik gekomen was, daar men te Schiedam er aan twijfelde of de voordracht doorging. Ik liet zeggen: “geen tijd.” Verbeelje ik had m’n onderwerp nog niet vastgesteld! ‘t Was kwart voor acht. Ik dacht even na, en besloot te spreken over “levensopvatting” in verband ook met den naam dien Schiedam heeft. En zie, ik was klaar drie minuten voor acht uur. Toen bedacht ik dat het afwijzen van V.d. S. niet goed was daar hij niet weten kon hoe mal gejaagd ik aangekomen was, en liet hem zeggen, dat hij nog wel even komen kon. (…) Vrij stipt acht uur trad ik op en zeker heeft niemand gemerkt dat ik m’n twee uren rust niet gehad had en zoo even door de sneeuw gebaggerd. De zaak is goed afgeloopen.’ Reisbrieven, p. 267: brief aan Mimi, 19-01-1881