Over de Hoofden van Lebak

‘De Toespraak tot de Hoofden van Lebak’ is een van de beroemde passages uit de roman ‘Max Havelaar’.  Het bevat de visie op deugdelijk bestuur van de schrijver Multatuli (Eduard Douwes Dekker) die korte tijd de hoogste bestuursambtenaar (assistent-resident) was in het district Lebak (in het Maleis: Banten Kidul) op West-Java, waar hij werkte in de hoofdplaats Rangkasbitung. Hieronder de tekst van Max Havelaars toespraak, in modern Nederlands hertaald door Gijsbert van Es.

Achtste hoofdstuk

Havelaar had de in Rangkasbitung aanwezige hoofden laten vragen tot de volgende dag te blijven om de Sebah (grote vergadering) bij te wonen. Zo’n vergadering kwam gewoonlijk eenmaal in de maand bijeen. Maar òf Havelaar wilde hoofden die ver van de hoofdplaats woonden (de afdeling Lebak is zeer uitgestrekt) het onnodig heen- en weerreizen besparen, óf hij wenste niet de volgende vergadering af te wachten om hen op plechtige wijze toe te spreken. Links voor zijn woning, maar op hetzelfde erf en tegenover het huis dat mevrouw Slotering bewoonde, stond een gebouw dat gedeeltelijk de kantoren van de assistent-residentie bevatte, met ook een ruime open galerij die ruimte voor vergaderingen bood. Daar waren de volgende morgen de hoofden al vroeg bijeen. Havelaar trad binnen, groette, en nam plaats. Hij ontving de geschreven maandelijkse berichten over landbouw, veestapel, politie en justitie en legde die voor nader onderzoek apart.

Iedereen verwachtte hierna een toespraak zoals de resident die de vorige dag had gehouden, en het is niet zeker dat Havelaar zelf van plan was iets anders te zeggen. Maar men moest hem bij zulke gelegenheden hebben gehoord en gezien om zich voor te stellen hoe hij zich opwond bij toespraken als deze, hoe hij zichzelf oprichtte, hoe zijn blik vuur schoot, hoe zijn stem van vleiend zacht in vlijmend scherp overging, hoe de beeldspraak van zijn lippen vloeide als strooide hij met kostbaarheden die hem toch niets kostten, en hoe, als hij ophield, iedereen hem aanstaarde met open mond en leek te vragen: ‘Mijn God, wie bent u?’

Het is waar dat hijzelf – die bij zulke gelegenheden sprak als een apostel, als een ziener – later niet meer wist hoe hij had gesproken. Zijn welsprekendheid had dan ook meer de eigenschap te verbazen en te treffen dan door bondigheid van redenering te overtuigen. Zijn toespraak tot de hoofden van Lebak hield hij natuurlijk in het Maleis, en ontleende hieraan de eenvoud van Oosterse talen, met een kracht die in ons idioom verloren is gegaan door literaire gekunsteldheid. Het zoetvloeiende van het Maleis zou moeilijk in enige andere taal zijn weer te geven. Bovendien moet men bedenken dat het merendeel van zijn toehoorders uit eenvoudige, maar geenszins domme mensen bestond, en tevens dat het Oosterlingen waren, wier cultuur zeer verschilt van de onze. 

Havelaar moet nagenoeg aldus hebben gesproken:

‘Mijnheer de Raden Adipati, regent van Banten Kidul, en u, Radens Oemang, hoofden van de districten in deze afdeling, en u, Raden Jaksa, die de justitie tot uw ambt hebt, en ook u, Raden Kliwon, die het gezag voert in de hoofdplaats, en u Radens, Mantri, en allen die hoofden zijn in de afdeling Banten Kidul – ik groet u!

En ik zeg u dat ik vreugde in mijn hart voel, nu ik u allen hier bijeen zie, luisterend naar mijn woorden.

Ik weet dat er onder u lieden zijn die zich onderscheiden in kennis en in goedheid van hart. Ik hoop mijn kennis door de uwe te vermeerderen, want zij is niet zo groot als ik zou wensen. En weliswaar heb ik de goedheid lief, maar dikwijls bespeur ik dat er in mijn gemoed fouten zijn, die het fatsoen overschaduwen en daaraan de groei ontnemen. U allen weet hoe een grote boom de kleine verdringt en doodt. Daarom zal ik letten op degenen onder u die deugdzaam zijn, om te trachten beter te worden dan ik ben.

Ik groet u allen zeer.

Toen de gouverneur-generaal mij benoemde tot assistent-resident in deze afdeling was ik zeer verheugd. Het kan u bekend zijn dat ik nooit in Banten Kidul ben geweest. Ik liet mij dus documenten over uw afdeling geven, en ik heb gezien dat er veel goeds is in Banten Kidul. Uw volk bezit rijstvelden in de dalen, en er zijn rijstvelden op de bergen. U wenst in vrede te leven, en u verlangt niet te wonen in de landstreken die worden bewoond door anderen. Ja, ik weet dat er veel goeds is in Banten Kidul!

Maar niet alleen hierom was mijn hart verheugd. Want ook in andere streken zou ik veel goeds hebben gevonden.

Maar ik las dat uw bevolking arm is, en dit maakte mij blij tot in het diepst van mijn ziel.

Want ik weet dat Allah de armen liefheeft, en dat Hij rijkdom geeft aan degene die Hij op de proef stelt. Maar Hij steunt de armen die Zijn Woord spreken, opdat zij zich verheffen uit hun ellende.

Geeft Hij niet regen waar de halmen verdorren, en een dauwdrup in de bloemkelk die dorst heeft?

En is het niet schitterend te worden uitgezonden om de vermoeiden te zoeken die achterbleven na het werk en neerzonken langs de weg, omdat hun knieën niet sterk genoeg meer waren om hun loon op te halen? Zou ik niet verheugd zijn de hand te mogen reiken aan wie in de steengroeve viel, en een staf te geven aan degene die de bergen beklimt? Zou niet mijn hart opspringen als het ziet dat het is gekozen uit vele – om van klagen een gebed te maken en te huilen van dankbaarheid?

Ja, ik ben zeer blij te zijn geroepen naar Banten Kidul!

Ik heb tegen mijn vrouw gezegd, die mijn zorgen deelt en mijn geluk groter maakt: “Verheug je, want ik zie dat Allah ons kind zegent! Hij heeft mij gezonden naar een oord waar alle werk nog niet is voltooid, en Hij keurde mij waardig daar te zijn vóór de tijd van de oogst.” Want niet in het snijden van de padi  ligt de vreugde: de vreugde is in het snijden van de padi die men heeft geplant. En de ziel van de mensen groeit niet van het loon, maar van het werk dat het loon verdient. En ik zei haar: “Allah heeft ons een kind gegeven dat eenmaal zal zeggen: weet u dat ik zijn zoon ben? En dan zullen er mensen zijn die hem met liefde begroeten, en die de hand op zijn hoofd zullen leggen, en zeggen: neem deel aan onze maaltijd, en woon in ons huis, en neem uw aandeel van wat wij hebben, want ik heb uw vader gekend.”

Hoofden van Lebak, er is veel werk te verzetten in uw landstreek!

Zeg mij, is niet de landarbeider arm? Rijpt niet uw padi vaak als voeding voor wie deze niet hebben geplant? Zijn veel zaken niet verkeerd in uw land? Is uw kindertal niet gering?

Leeft er geen schaamte in uw zielen als een bewoner van een ander district uw landstreek bezoekt, en vraagt: waar zijn de dorpen, en waar zijn de landbouwers? En waarom hoor ik de muziek van de gamelan (orkest) niet, die blijdschap spreekt met koperen mond?

Vindt u het niet bitter te reizen van hier tot de Zuidkust en dan de bergen te zien die geen water dragen, of de vlakten waar een buffel nooit de ploeg trok?

Ja, ja, ik zeg u dat uw en mijn ziel daarover bedroefd zijn! En daarom juist zijn wij Allah dankbaar dat hij ons macht heeft gegeven om hier te werken.

Want wij hebben in dit land akkers voor velen, hoewel hier weinig bewoners zijn. En het is niet de regen die ontbreekt, want de toppen van de bergen zuigen de wolken uit de hemel naar de aarde. En niet overal zijn rotsen die wortels een plaats weigeren, want op veel plaatsen is de grond zacht en vruchtbaar, en roept om de graankorrels die hij ons wil teruggeven in gebogen halmen. En er is geen oorlog in het land die de padi vertrapt als ze nog groen is, noch ziekte die de pacol (spade) nutteloos maakt. Noch zijn de zonnestralen heter dan nodig is om het graan te laten rijpen dat u en uw kinderen moet voeden, noch banjir (overstromingen) die de plaats wegspoelen waar u hebt gezaaid!

Waar Allah waterstromen uitgiet, die de akkers wegnemen, waar Hij de grond hard maakt als dorre steen, waar Hij Zijn zon doet gloeien tot verschroeiing, waar Hij oorlog zendt, die de velden omkeert, waar Hij toeslaat met ziekten die de handen slap maken, of met droogte die de aren doodt ­– daarvoor, hoofden van Lebak, buigen wij nederig het hoofd, en zeggen: Hij wil het zo!

Maar niet in Banten Kidul!

Ik ben hier naartoe gezonden om uw vriend te zijn, uw oudere broeder. Zou u uw jongere broeder niet waarschuwen als u een tijger zag op zijn weg?

Hoofden van Lebak, we hebben dikwijls misstappen gezet, en ons land is arm, omdat we zoveel misstappen zetten.

Want velen die hier zijn geboren, hebben ons land verlaten. Waarom zoeken zij werk, ver van de plaats waar zij hun ouders begroeven? Waarom ontvluchten zij de  desa  waar zij hun besnijdenis ontvingen? Waarom geven  zij de voorkeur aan de koelte van de boom die ver weg groeit, boven de schaduw van onze bossen?

En daar, in het noordwesten, voorbij de zee, zijn velen die ónze kinderen moesten zijn, maar die Lebak hebben verlaten om rond te dolen in vreemde streken met kris (dolk) en klewang (kapmes) en geweer. En ze komen ellendig om het leven, want daar heerst de macht van de regering die de opstandelingen verslaat.

Ik vraag u, hoofden van Banten Kidul, waarom zijn er zo velen die weggingen, om niet te worden begraven waar ze zijn geboren? Waarom vraagt de boom waar de man is die hij als kind zag spelen aan zijn voet?’

Havelaar hield hier een ogenblik op. Om enigszins te kunnen begrijpen welke indruk zijn woorden maakten, had men hem moeten horen en zien. Toen hij sprak over zijn kind klonk er in zijn stem iets zachts, iets ontroerends, dat de vraag uitlokte: waar is de kleine, ik wil het kind kussen dat zijn vader zo doet spreken! Maar toen hij kort daarna, schijnbaar plotseling, overschakelde op de vragen waarom Lebak arm was, en waarom er zoveel bewoners uit die streken verhuisden naar elders, klonk er in zijn toon iets dat deed denken aan het geluid dat een boor maakt, als deze zich met kracht in hard hout draait. Toch sprak hij niet luid, noch legde hij bijzondere nadruk op enkele woorden, en zelfs klonk er iets eentonigs in zijn stem. Maar of door studie, of door natuurlijke aanleg, juist deze eentonigheid versterkte de indruk die zijn woorden maakten op gemoederen die zo bijzonder ontvankelijk waren voor zulke taal.

Zijn beelden, die altijd waren gekozen uit het dagelijks leven, waren voor hem hulpmiddelen om begrijpelijk te maken wat hij bedoelde, en niet, zoals bij veel sprekers, lastige aanhangsels die niets toevoegen aan begrip van kwesties die men zogenaamd wil toelichten.

Men erkende dat Havelaar werkelijk een dichter was. Iedereen voelde dat hij, sprekend over de rijstvelden op de bergen, de ogen daarheen richtte, en dat hij die velden inderdaad zag. Toen hij de boom liet vragen waar de man was die als kind aan zijn voet had gespeeld, besefte men dat die boom daar echt stond en werkelijk vragend rondstaarde naar de vertrokken bewoners van Lebak. Hij verzon niets: hij hoorde de boom spreken, en meende slechts na te zeggen wat hij als dichter zo duidelijk had verstaan.

Het leek alsof Havelaar na de laatste zinsnede van zijn toespraak een rustpunt wilde inlassen, door te wenken dat de onvermijdelijke thee met zoetigheid kon worden rondgedeeld. Maar de aanwezige hoofden namen nauwelijks iets van de versnaperingen. En daartoe hadden zij hun redenen. Hoe, moesten de hoofden denken, kon hij al weten dat zo velen onze streek verlieten, met bitterheid in het hart? Wie had hem verteld dat vele van onze gezinnen naar naburige landstreken waren verhuisd, om de armoede te ontlopen die hier heerst? Wat wil hij? Wat bedoelt hij? Tot wie richt hij zijn vragen?

‘Kom eens hier, Max!’, riep Havelaar, die zijn kind op het erf zag spelen, en de regent nam de kleine op schoot. Maar het kind was te wild om lang te blijven zitten. Hij sprong weg, en liep de grote kring rond, en vermaakte de hoofden met zijn gekeuvel.

‘Nu moet je gaan, Max’, zei Havelaar, ‘papa heeft nog iets tegen de heren te zeggen.’

De kleine liep weg, nadat hij met kushandjes had gegroet.

Hierna vervolgde Havelaar zijn toespraak:

‘Hoofden van Lebak! Wij allen zijn in dienst van de Koning van Nederland,  die rechtvaardig is en wil dat wij onze plicht doen. Maar hij is ver van hier. Dertigmaal duizendmaal duizend zielen, ja, meer dan zovelen moeten aan zijn bevelen gehoorzamen, maar hij kan niet dichtbij allen zijn die zijn wil moeten volgen.

De gouverneur-generaal in Batavia is rechtvaardig, en wil dat iedereen z’n plicht doet. Maar ook deze, ook al is hij machtig, kan niet zien waar onrecht is gepleegd, want het onrecht blijft ver uit zijn buurt.

En de resident in Serang, die heer is over de landstreek Bantam, waar vijfmaal honderdduizend mensen wonen, wil dat recht heerst in zijn gebied, maar als iemand onrecht wordt aangedaan, woont ook hij ver weg. En wie kwaad doet, blijft uit zijn buurt, omdat hij straf vreest.

En de heer Adipati, die regent is van Zuid-Bantam, wil dat iedereen goed doet, en dat er geen schandalen zijn in de landstreek die onder zijn regentschap valt.

En ik, die gisteren aan de Almachtige God zwoer dat ik rechtvaardig en zachtmoedig zal zijn, dat ik recht zal doen zonder vrees en zonder haat, dat ik ‘een goed assistent-resident’ zal zijn, ook ik wens mijn plicht te doen.

Hoofden van Lebak! Dit wensen wij allen!

Maar mochten er onder ons soms mensen zijn die hun plicht verwaarlozen uit winstbejag, die het recht verkopen voor geld, of die de buffel van de arme afnemen, en de vruchten die toebehoren aan wie honger hebben – wie zou hen dan straffen?

Als een van u het wist, dan zou hij ingrijpen. En de regent zou niet dulden dat zoiets gebeurt in zijn regentschap. En ook ik zal het tegengaan waar ik kan. Maar wat als noch u, noch de Adipati, noch ik het wist.

Hoofden van Lebak! Wie zal dan recht doen in Banten Kidul?

Luister naar mij, als ik u zeg hoe dan recht wordt gedaan.

Er komt een tijd dat onze vrouwen en kinderen zullen huilen als zij ons het doodskleed aantrekken, en de voorbijganger zal zeggen: daar is een mens gestorven. Dan zal iemand in de dorpen het overlijden bekendmaken, en men zal vragen: wie was die man die is gestorven? En men zal zeggen:

“Hij was goed en rechtvaardig. Hij sprak recht en verjoeg de klager niet van zijn deur. Hij hoorde geduldig aan wie bij hem kwam, en gaf terug wat was gestolen. En wie de ploeg niet door de grond kon drijven, omdat de buffel uit de stal was gehaald, hielp hij zoeken naar de buffel. En waar de dochter uit het huis van de moeder was geroofd, zocht hij de dief en bracht de dochter terug. En waar was gewerkt, hield hij het loon niet achter, en hij pakte de vruchten niet af van wie de boom hadden geplant. Hij kleedde zich niet met de kleding die van anderen was, en ook voedde hij zich niet met voedsel dat de arme toebehoorde.”

Dan zal men zeggen in de dorpen: “Allah is groot, Allah heeft hem tot zich genomen. Zijn wil geschiedde, er is een goed mens gestorven.”

Maar opnieuw zal de voorbijganger stilstaan voor een huis, en vragen: waarom zwijgt de gamelan,  waarom klinkt het gezang van de meisjes niet? En opnieuw zal men zeggen: er is een man gestorven.

En wie rondreist in de dorpen, zal ’s avonds bij zijn gastheer zitten, met om hem heen de zonen en dochters van het huis, en de kinderen die in het dorp wonen, en hij zal zeggen:

“Er stierf een man die beloofde rechtvaardig te zijn, en hij verkocht het recht aan wie hem geld gaf. Hij mestte zijn akker met het zweet van de arbeiders die hij van hun eigen akkers had weggeroepen. Hij onthield de werkman zijn loon, en voedde zich met het voedsel van de armen. Hij is rijk geworden van de armoede van anderen. Hij had veel goud en zilver en hij had edelstenen in overvloed,  maar de landbouwer die naast hem woonde, wist de honger van zijn kind niet te stillen. Hij glimlachte als een gelukkig mens, maar men hoorde het tandenknarsen van de klager die recht zocht. Er was tevredenheid op zijn gezicht, maar geen melk in de borsten van de moeders die zoogden.”

Dan zullen de bewoners van de dorpen zeggen: “Allah is groot, wij vervloeken niemand!”

Hoofden van Lebak, eens sterven wij allen!

Wat zal er worden gezegd in de dorpen waar wij gezag hadden? En wat door de voorbijgangers bij de begrafenis?

En wat zullen wij antwoorden, als er na onze dood een stem in onze ziel spreekt, en vraagt: “Waarom klinkt er gehuil in de velden, en waarom verbergen de jongelingen zich? Wie nam de oogst uit de schuren, en uit de stal de buffel die het veld zou ploegen? Wat hebt u gedaan met de broeder die ik u liet bewaken? Waarom is de arme treurig en vervloekt hij de vruchtbaarheid van zijn vrouw?” ’

Hier hield Havelaar weer op, en na een korte stilte ging hij door, op de eenvoudigste toon van de wereld, alsof er volstrekt niets was gebeurd dat indruk moest maken:

‘Ik wil graag in goede verstandhouding met u leven, en daarom vraag ik u mij te beschouwen als een vriend. Wie mocht hebben gedwaald, kan op een zacht oordeel van mijn kant rekenen. Omdat ik zelf zo vaak dwaal, zal ik niet streng zijn, althans niet bij gewone fouten of nalatigheden. Alleen waar nalatigheid een gewoonte zou worden, zal ik die tegengaan. Over misslagen van grovere aard, over omkoping en onderdrukking spreek ik niet. Zoiets zal niet voorkomen, toch, mijnheer de Adipati?’

‘O nee, mijnheer de assistent-resident, zoiets zal niet voorkomen in Lebak.’

‘Welnu dan, heren hoofden van Banten Kidul, laat ons verheugd zijn dat onze streek zo onderontwikkeld en zo arm is. Wij hebben iets moois te doen. Als Allah ons beschermt, zullen wij ervoor zorgen dat er welvaart komt. De grond is vruchtbaar genoeg, en de bevolking van goede wil. Als iedereen de vruchten van zijn eigen inspanningen plukt, zal de bevolking binnen weinig tijd toenemen, zowel in aantal als in bezittingen en beschaving, want dat gaat vaak hand in hand. Ik verzoek u nogmaals mij te beschouwen als een vriend die u zal helpen waar hij kan, vooral wanneer onrecht moet worden bestreden. En hiermee vraag ik om uw medewerking.

Ik zal de ontvangen berichten over landbouw, veeteelt, politie en justitie met mijn besluiten naar u terugsturen.

Hoofden van Banten Kidul! Ik heb gezegd. U kunt terugkeren naar uw woonplaatsen. Ik groet u allen zeer!’